Trapani, 23.06.'16
Als ik donderdag 23 juni het vliegtuig uit stap valt er een warme deken over me heen. Het vliegtuigje is klein en op het lege terrein van het vliegveld voelt het haast alsof ik middenin een film zit. De wind waait mijn haren alle kanten op en ik grijp de leuning van het trappetje dat me naar de vaste grond leidt stevig vast. De lucht voelt wollig en zwaar en de zon schijnt me recht in mijn gezicht. In de verte doemt een berg op en ik voel me plots heel klein. Met ingehouden adem neem ik de rest van mijn omgeving in me op. De uitgestrekte vlakte die het terrein omringt is bezaaid met boompjes en struiken vol bloemen in tientallen tinten roze en rood, als een zee in de kleuren van de ondergaande zon. Ik sluit mijn ogen even en blijf zo, met mijn gezicht naar de zon, staan tot de laatste passagiers het vliegtuig hebben verlaten. Met mijn koffer achter me aan hobbel ik het kleine gebouwtje van het Trapanese vliegveld in. Niet veel later schud ik de hand van een vriendelijke taxi chauffeur die mij naar de stad gaat vervoeren.